‘Mijn zoon schreeuwt: waarom heb je mij zo’n zeiknaam gegeven? Ik schaam me kapot op school!’
“Waarom heb je mij zo’n zeiknaam gegeven?”
Het kwam eruit met een woede die ik niet zag aankomen. Mijn zoon stond voor me, zijn wangen rood, zijn ogen nat. “Ik heet Jelle. Jelle! Iedereen lacht me uit. Ik schaam me kapot op school.”
Ik wist even niet wat ik moest zeggen. Want in mijn hoofd was Jelle altijd een mooie, zachte, lieve naam geweest. Zijn naam. De naam die we hem gaven toen hij nog een baby was, warm tegen mijn borst.
Maar ineens hoorde ik die naam door zijn oren.
De naam waar we zo zeker van waren
Toen ik zwanger was, twijfelden we eindeloos. Lijstjes, gesprekken, meningen van anderen. Uiteindelijk bleef één naam steeds terugkomen: Jelle. Niet te populair, niet te gek. Tijdloos, vonden wij. Een naam die paste bij het jongetje dat we ons voorstelden.
Ik herinner me nog hoe trots ik was toen ik hem voor het eerst hardop uitsprak. Dit is Jelle. Het voelde goed. Definitief.
En nu stond diezelfde naam ineens tussen ons in.
“Ze zeggen dat het een rare naam is”
Hij vertelde over school. Over grapjes. Over kinderen die zijn naam verdraaien. Over hoe hij zich voorstelt aan iemand en meteen ziet hoe die ander reageert.
“Ik wou dat ik gewoon een normale naam had,” zei hij. “Zoals Sem. Of Daan.”
Ik voelde schuld, terwijl ik wist dat ik rationeel niets fout had gedaan. Maar ouderschap is niet rationeel. Je wil je kind beschermen tegen alles wat pijn doet — ook tegen dingen die je zelf ooit met liefde hebt gekozen.
De machteloosheid van een ouder
Ik kon zijn ervaring niet wegnemen. Niet zeggen dat het ‘wel meevalt’, want voor hem viel het niet mee. Niet uitleggen dat namen trends volgen, dat smaken veranderen. Hij leefde nú, in een klaslokaal waar zijn naam ineens een probleem was.
Dus luisterde ik. En slikte ik mijn reflex in om hem te overtuigen dat Jelle een mooie naam is.
Want op dat moment ging het niet over esthetiek. Het ging over erbij horen. Bij de coole namen zoals Daan en Lucas.
Van mijn keuze naar zijn verhaal
Ik besefte iets pijnlijk eenvoudigs: zijn naam is ooit mijn keuze geweest, maar de gevolgen zijn van hem. Hij vindt het gek, voor nerds. Niet chique genoeg.
Wat voor mij een liefdevolle beslissing was, is voor hem nu een dagelijkse realiteit. En die realiteit mag hij vervelend vinden. Daar hoeft hij zich niet voor te schamen.
Ik zei hem dat hij boos mocht zijn. Dat ik begreep dat het zwaar is als iets wat bij je hoort, tegen je gebruikt wordt.
Wat ik hem probeerde mee te geven
We spraken over namen. Over hoe ze soms niet passen in elke fase van je leven. Over hoe je later misschien anders naar jezelf kijkt. En ook over de vrijheid die hij ooit heeft om zelf te kiezen hoe hij genoemd wil worden.
“Maar nu heet ik gewoon Jelle,” zei hij.
“Ja,” zei ik. “En dat mag even stom voelen.”
Liefde in een naam — ook als hij pijn doet
Ik weet niet of hij zijn naam ooit zal omarmen. Misschien wel. Misschien niet. Wat ik wel weet: mijn liefde voor hem zit niet vast aan die vijf letters.
Die zit in het luisteren. In het serieus nemen van zijn schaamte. In het erkennen dat iets wat goed bedoeld was, toch pijn kan doen.
En misschien is dat wel het belangrijkste wat ik hem kan meegeven:
Dat hij altijd meer is dan zijn naam.
Zelfs als hij die naam — Jelle — op dit moment liever kwijt dan rijk is.