Kinderen met weinig zelfvertrouwen vragen vaak deze 3 dingen aan hun ouders

30.09.2026 13:24
kind weinig zelfvertrouwen vragen

Sommige kinderen lijken thuis heel zeker van zichzelf, maar kunnen buitenshuis juist behoorlijk onzeker zijn. Ze willen bijvoorbeeld niet alleen ergens naartoe, twijfelen lang voordat ze iets zeggen of vragen steeds aan hun ouders wat ze moeten doen. Opvallend is dat onzekerheid zich bij kinderen soms juist verstopt in heel gewone vragen.

Niet ieder kind met weinig zelfvertrouwen zal letterlijk zeggen dat hij of zij onzeker is. Kinderen hebben daar vaak simpelweg de woorden nog niet voor. In plaats daarvan zoeken ze bevestiging bij hun ouders. En juist de vragen die steeds terugkomen, kunnen iets vertellen over hoe een kind naar zichzelf kijkt.

1. “Kun je hier blijven wachten?”

Dit klinkt misschien als een onschuldige vraag, maar wanneer een kind hem opvallend vaak stelt, kan er meer achter zitten.

Bijvoorbeeld wanneer je kind naar een verjaardagsfeestje gaat en vraagt: “Wacht je nog?” Of wanneer een klasgenootje belt en je kind eerst wil weten wat hij precies moet antwoorden.

Een onzeker kind kan bang zijn om iets verkeerds te zeggen of zich voor gek te zetten. Door vooraf te vragen wat hij moet zeggen, probeert hij als het ware het risico op een fout te verkleinen.

Ook bij nieuwe situaties kan deze vraag vaak terugkomen. Een kind dat voldoende vertrouwen heeft in zichzelf, zal eerder denken: ik zie wel wat er gebeurt. Een onzeker kind kan juist behoefte hebben aan een soort script en een moeder in de buurt.

Dat betekent overigens niet dat ieder kind dat dit vraagt weinig zelfvertrouwen heeft. Sommige kinderen zijn simpelweg voorzichtig of willen graag weten waar ze aan toe zijn. Het gaat vooral om het patroon.

2. “Kun jij het voor mij vragen?”

Dit is misschien wel een van de opvallendste vragen.

Een kind wil bijvoorbeeld iets aan de juf vragen, maar kijkt naar zijn moeder en zegt: “Kun jij het vragen?” Of in een winkel wil het iets hebben, maar durft het zelf niet aan een medewerker te vragen.

Daar kan onzekerheid onder zitten. Het kind weet misschien prima wat het wil zeggen, maar vindt de stap om het daadwerkelijk te zeggen spannend.

Voor ouders kan het verleidelijk zijn om het meteen over te nemen. Dat is tenslotte veel sneller. Toch kan het helpen om je kind kleine stapjes zelf te laten zetten. Je kunt bijvoorbeeld eerst samen bedenken wat hij wil zeggen en daarna vragen of hij het zelf wil proberen.

Een kind hoeft niet ineens voor een hele groep te durven spreken. Juist kleine succeservaringen kunnen helpen om meer vertrouwen op te bouwen.

3. “Wat zou jij doen?”

Deze vraag kan zich op allerlei momenten voordoen.

“Is dit goed?”
“Heb ik het goed gedaan?”
“Vind je deze tekening mooi?”
“Is mijn antwoord goed?”
“Weet je zeker dat ik dit zo moet doen?”

Een kind dat voortdurend bevestiging zoekt en wil weten wat jij zou doen, kan moeite hebben om zelf te vertrouwen op zijn oordeel. Zelfs wanneer het iets eigenlijk prima heeft gedaan, wil het eerst van een ouder horen dat het inderdaad goed is.

Ook hier geldt: één keer om bevestiging vragen zegt natuurlijk weinig. Kinderen hebben nu eenmaal behoefte aan complimenten en geruststelling. Het wordt interessanter wanneer je kind voor bijna alles bevestiging nodig lijkt te hebben en zelf nauwelijks durft te bepalen of iets goed genoeg is.

Niet meteen alle onzekerheid wegnemen

Als ouder wil je een onzeker kind waarschijnlijk zo snel mogelijk geruststellen. Toch hoeft dat niet altijd te betekenen dat je ieder probleem voor hem oplost.

Wanneer je kind vraagt: “Kun jij het voor mij vragen?”, kun je bijvoorbeeld eerst zeggen: “Ik snap dat je het spannend vindt. Zullen we samen bedenken wat je kunt zeggen?” Daarna kun je je kind zelf laten proberen.

En wanneer je kind vraagt: “Weet je zeker dat dit goed is?”, kun je soms terugvragen: “Wat denk jij zelf?”

Daarmee geef je niet minder steun, maar verplaats je het vertrouwen langzaam van de ouder naar het kind.

Let vooral op het patroon

Een kind dat af en toe bevestiging zoekt, is niet automatisch onzeker. Ook temperament, leeftijd en nieuwe situaties kunnen een rol spelen.

Het wordt vooral interessant wanneer een kind structureel bang is om fouten te maken, nieuwe situaties vermijdt, voortdurend bevestiging nodig heeft of zichzelf snel negatief beoordeelt.

In dat geval kan het helpen om niet alleen te zeggen dat je kind “het goed doet”, maar ook aandacht te geven aan het proces: “Je vond het spannend en je hebt het toch geprobeerd.” Zo leert een kind dat zelfvertrouwen niet betekent dat je nooit iets spannend vindt, maar dat je erop kunt vertrouwen dat je ermee om kunt gaan.

Beeld: iStock