‘Kan mijn zoon van 7 even op zijn broertje van 2 jaar letten als ze samen in bad gaan?’
‘Ze zaten samen in bad. De oudste van zeven, druk pratend, spelend met bootjes. De jongste van twee, lachend, spetterend, totaal onbezorgd.
Ik dacht: ik ben zo weer terug. En toen: kan hij niet gewoon even opletten? De oudste die al een zwemdiploma heeft, in dat beetje water in het bad?
Dat kan toch geen kwaad? Ik laat ze echt niet een uur alleen hoor, maar even in en uit de badkamer om wat op te ruimen?
Het lijkt zo logisch
Mijn zoon is zeven. Slim. Zorgzaam. Hij weet wat wel en niet mag. Hij helpt graag. En eerlijk is eerlijk: hij voelt zich groot als hij “verantwoordelijk” mag zijn.
En ze zitten samen in bad.
Niet in een meer. Niet op straat. Gewoon thuis. Met de deur open. Ik hoor ze praten.
Wat kan er gebeuren in twee minuten?
Totdat ik mezelf hoor denken
Dat zinnetje — wat kan er gebeuren? — blijft hangen.
Omdat ik weet dat het zelden een goed uitgangspunt is.
Niet omdat ik mijn oudste niet vertrouw. Maar omdat ik ineens besef: ik leg iets bij hem neer wat niet van hem is.
Hij is zeven.
Hij is een kind.
Geen lifeguard. Geen ouder. Geen volwassene.
Verantwoordelijkheid voelt voor kinderen anders
Ik zie het aan zijn gezicht als ik zeg: “Let jij even op je broertje?”
Hij knikt serieus. Recht zijn schouders. Grote ogen.
En juist dat maakt het ingewikkeld.
Want hij wil het goed doen. Hij wil mij helpen. Hij wil laten zien dat hij groot is.
Maar wat als er iets gebeurt?
Wat als zijn broertje uitglijdt?
Wat als hij schrikt, bevriest, niet weet wat te doen?
Dat gewicht hoort niet bij hem.
Het gemak van de ouder
Laat ik eerlijk zijn: deze gedachte komt voort uit gemak.
Even snel iets pakken. Even iets afmaken. Even geen natte peuter op mijn arm.
En ik snap mezelf daarin. Ouderschap is continu schakelen. Multitasken. Oplossen.
Maar gemak is geen maatstaf voor veiligheid. En ook niet voor wat eerlijk is richting mijn oudste. Dus ik blijf er toch bij, en ben hoogstens tien seconden even wat opruimen.’