‘Ik kan de irritante prinsessen-naam van mijn nichtje niet meer aanhoren, sorry’
‘Ze heet Jazzmine. Met een z. En een extra e. Jazzmine. Niet Jasmine, zoals de prinses uit Aladdin. Nee, Jazzmine. Dat maakt het net anders. Unieker. Specialer. Zegt men.
Ik weet dat ik dit eigenlijk niet hardop mag denken. Het is een kind. Een lief kind zelfs. Met grote ogen en een lach waar je moeilijk nee tegen zegt. Maar elke keer als haar naam wordt uitgesproken, gebeurt er iets in mij. Een lichte verkramping. Een innerlijke zucht. Alsof iemand met glitterletters op mijn trommelvlies tikt.
“Jaaaazzmineee,” klinkt het dan, op zo’n overdreven zoete toon.
En daar is het weer: het beeld van roze tule, tiara’s, en een toekomst waarin elk rapportgesprek begint met ze is zó creatief.
Het probleem is niet zij. Laat ik dat vooropstellen. Het probleem is de naam. Of beter gezegd: alles wat die naam vertegenwoordigt. De keuze. Het gevoel dat er al vóór haar geboorte een persoonlijkheid op haar geplakt werd. Prinses. Uniek. Net even anders gespeld, want gewoon is niet genoeg.
Ik hoor mezelf denken: wat als ze later accountant wordt? Of vrachtwagenchauffeur? Of gewoon iemand die geen zin heeft in zweverige lettercombinaties op haar LinkedIn-profiel?
En tegelijk schaam ik me. Want wie ben ik om hier iets van te vinden? Ouders mogen hun kind noemen zoals ze willen. Namen zijn emotie. Liefde. Verwachting. Een verhaal. En toch… elke keer als iemand “Jazzmine” zegt, voelt het alsof ik verplicht word om enthousiast te knikken, terwijl mijn hoofd fluistert: het is maar een naam, waarom doet dit zoveel met je?
Wat een irritante prinsessen-naam
Misschien zit het dieper. Misschien gaat het niet over Jazzmine, maar over een bredere vermoeidheid. Over de trend van namen die harder proberen te zijn dan nodig. Over kinderen die al bij de geboorte een Instagram-waardige identiteit meekrijgen. Over het idee dat alles bijzonder moet zijn, terwijl gewoon ook prima is.
En ik vind haar erdoor verwend worden. Als in: ze krijgt zo vaak haar zin van haar ouders. Die naam helpt daar niet bij. ‘Ons prinsesje…’
Ik glimlach naar haar. Ik speel met haar. Ik ben lief. Want dat verdient ze. Zij heeft haar naam niet gekozen. En eerlijk is eerlijk: zij ís leuk. Slim. Grappig. En totaal niet irritant.
Maar die naam… Die blijft hangen. Als een liedje dat je niet uit je hoofd krijgt, maar dat je ook nooit zelf zou opzetten.
Sorry, Jazzmine. Misschien groeit het nog. Misschien wen ik eraan.
En zo niet? Dan hou ik het maar bij “lieverd”. Dat klinkt altijd goed.’