‘Is het nou echt zo erg als ik de rode haren van mijn kind een beetje blondeer?’
‘Ik durf het bijna niet hardop te zeggen, maar de vraag spookt al een tijdje door mijn hoofd: is het nou echt zo erg als ik de rode haren van mijn kind een beetje blondeer? Niet omdat ik haar niet mooi vind — integendeel. Maar omdat de wereld soms hard is, en kinderen dat helaas ook kunnen zijn.
Mijn kind heeft vuurrood haar. Van dat haar waar vreemden op straat iets van vinden. “Wat bijzonder!” zeggen ze dan. Of: “Dat blijft vast niet zo.” En hoewel het vaak lief bedoeld is, merk ik dat die aandacht haar begint te raken. Ze is zich bewust geworden van haar uiterlijk. Ze vraagt waarom zij anders is. Waarom niemand anders in de klas zulke haren heeft.
En toen betrapte ik mezelf op die gedachte.
Misschien kan ik haar helpen. Misschien een beetje lichter. Minder opvallend. Gewoon subtiel.
Maar zodra ik die gedachte toelaat, komt de twijfel. Want wat zeg ik daarmee eigenlijk?
Waar komt deze behoefte vandaan?
Als ik eerlijk ben, gaat het niet over haar haar. Het gaat over bescherming. Over de neiging die ik als ouder voel om scherpe randjes van de wereld weg te poetsen voordat ze pijn doen. Ik wil haar zelfverzekerd zien, niet onzeker. Ik wil dat ze zich veilig voelt in haar eigen lijf.
Maar tegelijk weet ik: kinderen voelen haarfijn aan waarom je iets doet. Zelfs als ik zou zeggen dat het “gewoon voor de lol” is, zit er een boodschap onder. Namelijk: zoals je nu bent, is het misschien net niet goed genoeg.
En die gedachte doet meer pijn dan een flauwe opmerking op het schoolplein.
Is rood haar echt een probleem?
Nee. Dat weet ik. Rood haar is prachtig, zeldzaam en sterk. Het is erfelijkheid, geschiedenis, identiteit. Het probleem zit niet in het haar, maar in hoe wij — als maatschappij — omgaan met alles wat afwijkt van de norm.
Door te willen aanpassen, bevestig ik onbedoeld dat ‘anders zijn’ iets is wat opgelost moet worden.
Wat leert mijn kind hiervan?
Als ik haar haren zou blonderen, al is het maar een beetje, leer ik haar misschien dat ongemak iets is wat je verbergt. Dat je jezelf aanpast om het anderen makkelijker te maken. Dat valt me zwaar, want ik wil haar juist leren dat ze zichzelf mag zijn. Met alles wat daarbij hoort.
Ik wil niet dat ze later denkt: mama vond mijn echte haar niet mooi genoeg.
Dus nee — het is niet “gewoon een beetje haar”. Het is een verhaal. Een signaal. Een les, zelfs al is die onbedoeld.
Dat betekent niet dat ik haar gevoelens negeer. Als ze verdrietig is, luister ik. Als ze vragen heeft, praat ik met haar. Ik probeer haar weerbaarheid te geven in plaats van haar uiterlijk te veranderen.
En misschien is dát wel mijn echte taak als ouder: haar niet passend maken voor de wereld, maar haar sterk genoeg maken om haar plek erin te claimen.
Met rode haren. Precies zoals ze zijn.’