‘De juf is boos op de bruine boterhammen met hagelslag in de broodtrommel van mijn zoon’
Vanmorgen stond ik weer in de keuken, half wakker, broodtrommel open, mes in de aanslag. Twee bruine boterhammen, een flinke laag hagelslag — klaar. Mijn zoon blij, ik snel klaar. En ja; dit eet hij tenminste op. Zoveel hartig beleg laat hij gewoon liggen en dan valt hij om van de honger.
Tot ik later die dag een bericht kreeg.
De juf was er niet zo blij mee. Of ik misschien wilde opletten met zoet beleg in de broodtrommel.
Want: te ongezond. Ik weet het, het is geen volkorenhummus. Maar kom op… Het zijn kinderen. Mijn zoon rent en speelt de hele dag en heeft echt zijn energie en suikers nodig.
En eerlijk? Dat zette me aan het denken.
Toen ik erover nadacht, snap ik het ergens wel. Op veel scholen ligt de focus tegenwoordig op gezonde voeding. En hagelslag valt daar — laten we eerlijk zijn — niet echt onder.
De juf gaf aan:
- Dat ze liever geen zoet broodbeleg ziet
- Dat het zorgt voor pieken en dalen in energie
- Dat andere kinderen het ook willen als één kind het heeft
En ja… daar zit wat in.
Maar toch voelde het ook een beetje ongemakkelijk.
Want: het is ook gewoon mijn keuze als ouder
Ik merkte dat ik in een soort tweestrijd kwam.
Aan de ene kant: ik wil het beste voor mijn kind. En ja… Ik ben niet gek. Ik snap het belang van gezond eten.
Aan de andere kant: het is míjn kind. En soms hoort iets lekkers er ook gewoon bij. Dus… Wanneer bepaalt school wat er in de broodtrommel mag?
Wat me vooral raakte, was niet eens die opmerking zelf. Het was het gevoel dat iemand — hoe goed bedoeld ook — iets vond van mijn keuzes als moeder.
Ik sta ’s ochtends in die keuken. Ik probeer het goed te doen. Ik zorg dat er brood is, dat er fruit meegaat, dat mijn kind met een gevulde trommel de deur uitgaat.
En ja, soms zit daar hagelslag op.
Niet omdat ik niet beter weet, maar omdat ik ook geloof dat eten leuk mag zijn. Dat niet alles altijd perfect hoeft.
Tussen gezond en gewoon leven
Ik merkte dat ik een beetje in tweestrijd kwam. Aan de ene kant wil ik echt wel meegaan in dat gezonde stuk. Ik wil ook dat mijn kind leert wat goed voor hem is. Dat hij energie heeft, zich goed voelt, zich kan concentreren.
Maar aan de andere kant wil ik ook niet dat eten iets ingewikkelds wordt.
Of iets waar regels en oordeel aan vastzitten.
Want hoe ver ga je daarin? Vandaag geen hagelslag, morgen geen koekje, en straks…? Ik wil niet dat mijn kind het idee krijgt dat iets “fout” is om te eten.
Voor mij zit het veel meer in balans. En daar hoeft een juf zich niet mee te bemoeien, toch?’