‘Ik vind de namen van de zoon en dochter van mijn vriendin zó niet bij elkaar passen’
‘Soms hoor je twee namen naast elkaar en voelt het meteen… logisch. Alsof ze uit hetzelfde verhaal komen. En soms gebeurt het tegenovergestelde. Dat had ik dus toen mijn vriendin me vertelde wat de namen van haar zoon en dochter zijn: haar zoon heet Frankie, en haar dochter die net is geboren… Oliva-Kae.
Begrijp me niet verkeerd — los van elkaar zijn het allebei mooie, bijzondere namen. Frankie heeft iets speels en warms. Het voelt een beetje retro, een beetje stoer, maar ook toegankelijk. Een naam die je makkelijk uitspreekt, die blijft hangen, die past bij iemand die spontaan en eigen is.
En dan Oliva-Kae. Die naam voelt totaal anders. Eleganter misschien, maar ook complexer. Het streepje geeft het iets moderns en unieks, bijna alsof er een verhaal achter zit dat je nog niet helemaal kent. Het klinkt internationaler, misschien zelfs een beetje artistiek. En zo’n dubbele naam..
Maar samen? Samen voelde het voor mij eerst alsof ze uit twee verschillende werelden kwamen.
En dat zette me aan het denken.
De namen van hun zoon en dochter
Want waarom verwachten we eigenlijk dat namen van broers en zussen “bij elkaar passen”? Moeten ze hetzelfde ritme hebben? Dezelfde stijl? Of is dat gewoon iets wat we onszelf hebben aangeleerd — een soort ongeschreven regel over hoe een gezin “klinkt”?
Misschien zegt het juist iets moois dat Frankie en Oliva-Kae zo verschillend zijn. Dat hun ouders niet hebben geprobeerd om een perfect passend setje namen te creëren, maar gewoon twee namen hebben gekozen die op zichzelf goed voelden. Twee losse identiteiten, vanaf het begin.
Ach ja, alles mag
En als ik eerlijk ben: hoe langer ik erover nadenk, hoe minder het me stoort. Sterker nog, het begint juist interessant te worden. Frankie en Oliva-Kae — het heeft iets onverwachts. Iets eigens. Alsof je een boek leest waarin de personages niet voorspelbaar zijn.
Misschien is dat het wel.
Misschien hoeven namen niet te matchen. Misschien hoeven ze alleen maar te kloppen voor het kind dat ze draagt.
En misschien is het juist dat kleine beetje frictie — dat “hè?”-gevoel — dat maakt dat je ze onthoudt.’