‘Ik schaam me voor de lange en kakkerige jongensnaam die mijn man per se wilde voor onze zoon’
Toen ik zwanger was, keek ik overal naar met zachte ogen. De eerste rompertjes, het ledikantje, hoe zijn handje straks mijn vinger zou vastpakken. Maar zodra het over namen ging, veranderde die zachtheid in spanning.
Ik hield van kort en ongecompliceerd. Namen die je makkelijk roept over een speelplein. Mijn man wilde iets “met statuur”. Iets klassieks. “Een naam die je ook serieus neemt als hij ooit advocaat of chirurg wordt,” zei hij.
En zo werd onze zoon officieel Sebastiaan Floris Alexander.
Drie namen. Een mond vol. Een naam die klinkt alsof hij thuishoort op een messing naambord naast een statig grachtenpand.
In het ziekenhuis sprak mijn man de naam uit met trots. De verpleegkundige glimlachte: “Zo, dat is een hele naam!” Ik glimlachte mee, maar vanbinnen voelde ik al iets knagen. Het voelde groot. Deftig. Misschien zelfs een beetje… kakkerig.
We spreken hem gewoon aan als Seb. Kort, stoer, vriendelijk. Seb past bij een jongetje met modder op zijn broek en een plakkerige ijsmond. Seb klimt op speeltoestellen en slaapt met zijn knuffel onder zijn arm.
Maar officieel heet hij dus Sebastiaan Floris Alexander. En elke keer als ik dat hardop moet zeggen – bij de tandarts, op een formulier, bij een nieuwe juf – hoor ik het weer. Dat deftige randje. Alsof wij koste wat kost wilden laten zien dat we ambitie hebben. Alsof we een bepaald milieu willen uitstralen.
En dat voelt ongemakkelijk.
Ik schaam me voor de lange naam
Ik kom uit een nuchter gezin. Korte namen, geen dubbele doopnamen, geen tradities die generaties teruggaan. Mijn eigen naam past op één ademhaling. Misschien wringt het daarom zo. Die lange, bijna aristocratische klank voelt niet als “ik”.
Voor mijn man zit er vooral trots in. Floris was zijn opa. Alexander een geliefde oudoom. Voor hem is het een eerbetoon, een manier om iets door te geven. Hij hoort kracht in die naam. Klasse. Mogelijkheden.
Ik hoor vooral gewicht.
Soms ben ik bang dat andere ouders iets denken. Dat ze ons zien staan bij het schoolplein en denken: o, die wilden zeker iets bijzonders. Terwijl we gewoon twee werkende ouders zijn in een rijtjeshuis, zonder familieportretten in gouden lijsten.
Misschien projecteer ik mijn eigen onzekerheid op hem. Want eerlijk is eerlijk: Seb zelf lijkt nergens last van te hebben. Voor hem is zijn naam gewoon wie hij is. Als iemand “Seb!” roept, draait hij zich om met die grote glimlach. Onbezorgd. Zonder gêne.
Toch fantaseer ik soms dat hij later zelf kiest. Dat hij op zijn zestiende zegt: “Noem me maar gewoon Sebastiaan.” Of juist alleen Seb. Dat hij zich die lange naam eigen maakt, of hem inkort tot iets dat beter voelt. Dat het zijn keuze wordt, niet alleen die van ons.
Wat een gevoel doet
Wat ik vooral heb geleerd, is hoe kwetsbaar zo’n beslissing eigenlijk is. Een naam is niet zomaar een etiket. Het is een eerste indruk. Een verhaal. Soms zelfs een sociaal statement.
Als ik nu opnieuw mocht kiezen, zou ik steviger mijn stem laten horen. Niet om te winnen, maar om echt samen iets te vinden dat voor ons allebei goed voelt.
Maar als ik hem ’s avonds instop en zachtjes “Welterusten, Seb” zeg, verdwijnt die schaamte even. Dan is hij gewoon mijn zoon. Warm, eigenwijs, lief.
Misschien groeit mijn gevoel nog met hem mee. Misschien klinkt Sebastiaan Floris Alexander over een paar jaar niet meer kakkerig in mijn oren, maar vertrouwd. Van hem.
En misschien is dat uiteindelijk belangrijker dan hoe een naam op papier klinkt.