‘Ik ben blij dat mijn suffe naam volledig uitsterft’, zei mijn moeder… ‘Dus vernoem me alsjeblieft niet’
‘Het was zo’n opmerking die ze achteloos maakte. Tussen de koffie en het afruimen door, alsof het nergens echt over ging. Maar het bleef hangen.
“Ik ben blij dat mijn suffe naam volledig uitsterft,” zei mijn moeder.
“Dus vernoem me alsjeblieft niet.”
Ze lachte erbij. Een beetje zelfspot, een beetje ernst. En ik wist niet zo goed wat ik ermee moest.
Want namen zijn nooit zomaar namen
Ze heet Antoinette. Mijn moeders naam — in haar ogen ouderwets, uit de tijd, misschien zelfs een beetje kneuterig — hoorde voor mij gewoon bij haar.
Ik had er nooit over nagedacht dat zij die naam als iets zag dat mocht verdwijnen.
Sterker nog: ergens had ik altijd gedacht dat vernoemen vanzelfsprekend was. Iets wat je doet. Uit liefde. Uit verbondenheid. Om iemand een plek te geven in een volgende generatie.
Maar zij dacht daar dus heel anders over.
De schaamte die soms verstopt zit in iets kleins
Later begon ik het beter te begrijpen.
Haar naam Antoinette hoorde bij een tijd waarin je niet koos, maar kreeg. Waarin originaliteit geen doel was en waarin sommige namen generaties lang werden doorgegeven zonder dat iemand zich afvroeg of ze nog pasten.
Ze had die naam haar hele leven gedragen. Op school, op werk, in situaties waarin ze zich misschien al onzeker voelde. Misschien was het niet alleen “suf” — misschien zat er ook een geschiedenis achter van zich anders voelen, of niet helemaal serieus genomen worden.
Wat voor mij vertrouwd klonk, had voor haar misschien altijd een randje gehad. Ze vindt het niet leuk dat ze ‘Antje’ wordt genoemd.
En toch voelt het als afwijzing
Toen ik zelf kinderen kreeg, kwam haar opmerking ineens terug.
Want hoe gek het ook is: vernoemen voelt ook als eren. Als zeggen: jij hoort bij ons, jij gaat mee de toekomst in. Dus toen zij expliciet zei dat ze dat niet wilde, voelde dat ergens… als een soort afwijzing van die traditie.
Alsof ze zei: laat mij maar achter.
Maar dat is niet wat ze bedoelde.
Misschien is dit juist óók liefde
Want hoe meer ik erover nadacht, hoe meer ik besefte dat haar wens eigenlijk heel zorgvuldig was.
Ze wilde niet dat een kind haar naam zou dragen als last. Niet dat haar “suffe naam” opnieuw door iemand anders doorleefd moest worden. Ze gunde een volgende generatie iets nieuws. Iets eigens.
Misschien zei ze eigenlijk:
begin opnieuw, zonder mij daarin te hoeven meedragen.
En dat is, als je het zo bekijkt, ook een vorm van loslaten. Van ruimte geven. Laat Antoinette lekker los.
Wat blijft er dan over?
Ik heb haar naam niet doorgegeven.
Maar dat betekent niet dat ze er niet is.
Ze zit in de manier waarop ik mijn kinderen toespreek. In kleine zinnen die ik mezelf hoor herhalen. In gewoontes waarvan ik ineens besef: oh, dat is van haar.
Een naam kan verdwijnen.
Maar een mens doet dat nooit helemaal.
Dus misschien sterft haar naam inderdaad uit, zoals ze wilde.
Maar zij? Nooit.’