‘De juf vindt het niet goed dat ik mijn kind een kaascroissant mee naar school geef, wat een waanzin’
‘Sorry hoor… Wat een aanstellerij soms op school. Ik moest het bericht twee keer lezen voordat het echt tot me doordrong. De juf vond het “niet wenselijk” dat mijn kind een kaascroissant mee naar school had. Te vet. Te ongezond. Geen goede keuze.
Ik voelde eerst verbazing, daarna irritatie en uiteindelijk boosheid. Sinds wanneer is een kaascroissant een opvoedkundig probleem?
Laat ik één ding duidelijk maken: ik geef mijn kind geen croissants als hoofdmaaltijd, niet elke dag en zeker niet om hem te pesten of bewust ongezond te laten eten. Het ging om één keer. Een ochtend waarop het haastig was, waarop hij er zin in had, waarop ik dacht: ach, waarom niet? En blijkbaar was dat genoeg om er een opvoedkundig oordeel over te vellen.
Wat mij het meest stoort, is niet eens de inhoud van de opmerking, maar het idee erachter. Alsof school niet alleen bepaalt wat mijn kind leert, maar ook wat hij mag eten. Alsof ik mij moet verantwoorden voor elke hap die hij meeneemt. Alsof ouderschap iets is wat je samen met een spreadsheet en voedingsrichtlijnen uitvoert, en niet met gezond verstand, liefde en af en toe een beetje flexibiliteit.
Mijn kind eet thuis gewoon fruit, groente, brood, warm eten. Hij weet wat gezond is. Maar hij weet ook dat eten soms gewoon lekker mag zijn. Dat er ruimte is voor plezier. Voor een kaascroissant op z’n tijd. Ik wil niet dat hij opgroeit met het idee dat eten iets is waar je je voor moet schamen of verantwoorden. Dat elke “ongezonde” keuze meteen fout is.
Mag een kaascroissant ook al niet meer?
Wat is het volgende? Een opmerking over een koekje op vrijdag? Over witte boterhammen in plaats van volkoren? Over beleg dat niet “educatief verantwoord” is? Waar ligt de grens? En vooral: wie trekt die?
Ik snap best dat scholen aandacht willen besteden aan gezonde voeding. Echt. Ik ben de eerste die het belang daarvan inziet. Maar er is een verschil tussen informeren en controleren, tussen stimuleren en veroordelen. En die grens werd hier, wat mij betreft, overschreden.
Het voelt als een symptoom van een bredere neiging om ouders steeds minder vertrouwen te geven. Alsof we constant bijgestuurd moeten worden. Alsof één kaascroissant iets zegt over mijn hele manier van opvoeden. Dat is niet alleen onterecht, het is ook vermoeiend.
Ik wil een school die mijn kind leert rekenen, lezen, samenwerken en kritisch denken. Ik wil een juf die er is voor zijn ontwikkeling, zijn nieuwsgierigheid en zijn plezier in leren. Niet iemand die mijn rol als ouder overneemt op het gebied van zijn lunchbox.
Dus ja, ik noem het waanzin. Niet omdat gezonde voeding onzin is, maar omdat de bemoeizucht dat wel is. Omdat opvoeden geen checklist is. En omdat een kaascroissant soms gewoon een kaascroissant is.