‘Als juf kom je heel wat namen tegen, maar hoe dit arme kind heet, spant wel de kroon’
‘Als juf kom je heel wat namen tegen. Van klassiek tot creatief, van tijdloos tot “daar hebben de ouders vast lang over vergaderd”. Meestal kijk ik nergens meer van op. Tot ik onlangs de presentielijst erbij pakte en mijn oog viel op één naam. Ik moest twee keer knipperen. En toen nog een keer. Want daar stond het echt: Zoetje.
Zoetje. Geen bijnaam. Geen grapje van een collega. Geen koosnaampje dat per ongeluk in Magister was blijven hangen. Nee, gewoon de officiële naam van een kind dat elke ochtend haar boterhammen eet, haar jas aantrekt en naar school komt om serieus genomen te worden.
Toen ik die naam hardop moest voorlezen, voelde ik me ineens verantwoordelijk voor een ongemakkelijk moment dat ik zelf niet had veroorzaakt. Want hoe spreek je “Zoetje” uit zonder dat het klinkt alsof je iemand roept die eigenlijk op schoot hoort bij een kopje thee? Ik deed mijn uiterste best om professioneel te blijven, maar ergens in mijn achterhoofd hoorde ik al het gegniffel dat dit kind de rest van haar schoolcarrière waarschijnlijk nog te wachten staat.
Arme kind
Begrijp me niet verkeerd: ik heb niets tegen unieke namen. Integendeel. Maar er is een dunne lijn tussen origineel en… culinair. Zoetje klinkt als iets wat je toevoegt aan koffie als de suiker op is. Of als een koosnaam voor een hamster. Niet als een naam die je met rechte rug en zelfvertrouwen op een diploma wilt zien staan.
Als leerkracht zie ik dagelijks hoe hard kinderen hun best doen om hun plek te vinden. Ze hebben al genoeg uitdagingen: toetsen, groepsdruk, puberteit. Dan gun je ze toch op z’n minst een naam die niet elke eerste schooldag begint met: “Haha, heet jij écht zo?”
Dus ja, ik heb veel namen gezien. Echt heel veel. Maar Zoetje spant voorlopig wel de kroon. En elke keer als ik die naam op de lijst zie staan, hoop ik maar één ding: dat dit kind later leert dat je je naam niet bent — en dat je altijd nog sterker kunt zijn dan de grap die anderen erin horen.’