‘Als je je kind zo noemt, is het toch vragen om gemene vooroordelen, of niet dan?’
Ik hoorde mezelf het denken op de parkeerplaats van de kinderopvang. Het was zo’n achteloze opmerking die eruit flopt voordat je brein hem heeft kunnen filteren.
Wat een naam, wat een beeld heb je dan gelijk bij zo’n kind en zijn familie… Sorry. Dat gebeurt gewoon.
Ik herhaalde het in mijn hoofd. Dja-nai-ro. Drie lettergrepen. Een naam die je niet vaak op geboortekaartjes ziet. En voordat ik het wist, hoorde ik mezelf denken: “Als je je kind zo noemt, is het toch vragen om gemene vooroordelen, of niet dan?”
Ze lachte ongemakkelijk. Ik ook. We stapten in. Maar de opmerking bleef bij mij hangen.
De volgende ochtend bracht ik mijn eigen zoon weer naar binnen. In de bouwhoek zat hij naast een jongen met donkere krullen en een felgeel T-shirt.
“Dit is Djanairo,” zei de leidster vrolijk.
Het jongetje keek op, glimlachte breed en schoof zonder aarzelen een brandweerauto mijn zoon toe.
“Hier,” zei hij. “Samen.”
Er zat niets ingewikkelds aan hem. Geen vooroordeel. Geen etiket. Gewoon een kind.
En toch had ik — volwassen, zogenaamd verstandig — bij het horen van zijn naam meteen een heel verhaal ingevuld.
Het is confronterend om te merken hoe snel dat gaat. Een naam roept beelden op. Opleidingsniveau. Wijk. Achtergrond. Toekomst. We doen alsof we dat niet doen, maar we doen het wel.
Ik dacht aan sollicitatiebrieven. Aan leraren die een naam op de presentielijst zien voordat ze het kind zien. Aan verwachtingen die soms al vaststaan voordat iemand één woord heeft gesproken.
Kind met deze naam zorgt voor vooroordelen
Maar wat zegt dat eigenlijk over wie het “vraagt om vooroordelen”?
Degene die een naam kiest?
Of degene die oordeelt?
Die middag hoorde ik hoe een ander kind zijn naam riep vanaf de glijbaan.
“Djannaaaairoooo, kom je?”
Het klonk vrolijk. Uitnodigend. Zonder lading. Kinderen leren geen vooroordelen via namen. Wij geven ze die mee.
Ik weet niet waarom zijn ouders voor die naam kozen. Misschien vonden ze hem gewoon mooi. Misschien zit er een familieverhaal achter. Misschien wilden ze iets unieks. Misschien wilden ze juist kracht. Liefde. Identiteit.
Wat ik wel weet, is dat mijn opmerking meer over mij zei dan over hem. Want mijn smaak is het niet. Maar goed. Dat hoeft niets te betekenen.
Sindsdien probeer ik mezelf te betrappen, als ik een naam hoor die niet in mijn vertrouwde straatje past. Als ik merk dat mijn brein alvast een hokje zoekt. Tja, smaken verschillen, denk ik dan ook maar. Iedereen mag het gelukkig zelf weten.’